OV en vakantiedagen:
zo zit het

Iedereen in Nederland die werkt heeft recht op minimaal vier weken

wettelijke vakantiedagen.

Maar in het OV is dat meer.

Vier maal vijf dagen is 20 wettelijke vakantiedagen voor iedereen. Maar in het OV hebben de bonden en werkgevers in de cao het recht op 23 vakantiedagen afgesproken. Plus, afhankelijk van iemands leeftijd, nog meer zogenoemde bovenwettelijke vakantiedagen. Dit alles natuurlijk gerelateerd aan het aantal gewerkte uren. Wie minder uren werkt, heeft minder uren vakantie, maar per saldo wel hetzelfde aantal dagen.

Het is verstandig om de wettelijke vakantiedagen op te nemen binnen zes maanden na afloop van het jaar waarin deze opgebouwd zijn. Anders komen ze te vervallen. Werkgevers hoeven de niet opgenomen dagen namelijk niet uit te betalen, behalve wanneer de werknemer redelijkerwijs niet in staat is geweest om ze op te nemen.

Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij ernstige ziekte, of wanneer de werkgever heeft geweigerd om dagen op te laten nemen vanwege onverwachte piekdrukte. In dergelijke uitzonderlijke situaties moet de werknemer dan wel vóór 1 juli een beroep doen op deze uitzondering van de vervaltermijn.

Bovenwettelijke vakantiedagen daarentegen blijven langer geldig, namelijk vijf jaar. Wie deze dagen niet gebruikt, kan ze wel laten uitbetalen. De werkgever is dit echter niet verplicht. In de wet is ook afgesproken hoe iemands vakantie wordt vastgesteld. Dat doet de werkgever. Maar hij moet daarbij wel luisteren naar de wensen van zijn werknemer. Als die zijn vakantie schriftelijk aanvraagt, moet de werkgever binnen twee weken toestemming geven. Hij mag alleen weigeren als hij daarvoor “gewichtige” redenen heeft. Dat kan zijn als de bedrijfsvoering in gevaar komt, bijvoorbeeld als het een periode van topdrukte betreft, of als andere collega’s al vrij hebben. Reageert de werkgever niet binnen twee weken, dan is de vakantie ook vastgesteld.

In de OV-cao – en dit mag van de wet – staat dat de werkgever samen met de OR een afwijkende vakantieregeling mag afspreken. Bijvoorbeeld dat OV-medewerkers recht hebben op minimaal twee weken aaneengesloten vakantie in de periode van 30 april tot 1 oktober. Maar als dat hun wens is, dan hebben ze de mogelijkheid om drie weken aaneengesloten vakantie op te nemen. Wordt deze mogelijkheid door de OR niet in de regeling opgenomen, dan moeten de werkgever en de OR dit gemotiveerd uitleggen aan de VCSA; de geschillencommissie van de cao. De vakantieregeling moet trouwens moet ook zó opgesteld zijn, dat de werknemer ook buiten de periode van 30 april tot 1 oktober, voldoende vakantie kan opnemen.