Vervoer bleef
Marco Bouma trekken

Marco Bouma was 19 toen hij bij de FNV begon, en werkt er als 46-jarige nog altijd. Maar wel weer in een nieuwe functie. Nu bij FNV Streekvervoer.

De vakbondscarrière van Marco Bouma begon, nog maar net van de havo, in 1992 op de postkamer van – toen nog – de Vervoersbond FNV. Via de salarisadministratie, de afdeling P&O en na de nodige aanvullende opleidingen kwam hij terecht bij de Stichting VNB, waar hij uiteindelijk jarenlang directeur is geweest. ‘Dat is de club die toeziet op naleving van de cao-Beroepsgoederenvervoer’, vertelt hij. ‘Maar toen ik er begon was de taak van de stichting breder. Er kwamen ook alle mogelijke vragen binnen van werknemers uit alle vervoerssectoren, dus óók het streekvervoer. Daar heb ik het streekvervoer voor het eerst leren kennen. Daarna ben ik de sector een beetje uit het oog verloren, omdat ik in 2008 ben overgestapt naar een functie als bestuurder in het beroepsgoederenvervoer.’

Vijf jaar geleden maakte Bouma een nieuwe overstap. Hij ging als sectorbestuurder aan de slag bij FNV Horeca. ‘Een sector vol vakmanschap en passie, maar ook een moeilijke sector met een slechte cao en verstoorde verhoudingen en een continue uitstroom van personeel’, zo ervaarde hij. ‘Omdat de vakbondskracht er gering is, is het lastig om goede afspraken te maken.’

Ondertussen bleef het vervoer hem trekken – zelf spreekt hij over ‘mijn vervoer-genen’. Sinds augustus is hij bestuurder bij FNV Streekvervoer. De regio Zuid-West Nederland is zijn aandachtsgebied.

‘Ik begin blanco aan deze nieuwe klus’, zegt hij. Verwijzend naar onder meer de cao-perikelen tussen kaderleden en bond, vervolgt hij met: ‘Het is belangrijk om het verleden te kennen en dingen te weten, maar ik ben toch vooral van de toekomst. Een van de redenen voor mijn enthousiasme om te werken als bestuurder in het Streekvervoer is juist de samenwerking met de kaderleden. Daarnaast liggen er interessante thema’s genoeg waarmee we samen aan de slag kunnen. Uiteraard met aandacht en respect voor datgene wat gepasseerd is.’

Hij heeft er zin in, benadrukt hij nog maar eens, om de ‘zware jongens’ op te pakken die op tafel liggen als onderwerp om mee aan de slag te gaan. De arbeidsvoorwaarden, de concessies/aanbestedingen, de werkdruk, de personeelstekorten… ‘Om maar een eufemisme te gebruiken: er liggen genoeg uitdagingen. Maar eerst wil ik contact hebben met mijn kaderleden. Ik vind het belangrijk dat we elkaar kennen en dat ik via hen de sector beter leer kennen. Samen zijn wij tenslotte de bond.’